Rechtbank tikt belastingdienst op de vingers
06-02-2012
Afhankelijkheid van één grote opdrachtgever hoeft voor een ondernemer niet altijd een beletsel te zijn om aanspraak te kunnen maken op zelfstandigenaftrek, investeringsaftrek, afschrijving en de vorming van een oudedagsreserve.
Dat blijkt uit een recente uitspraak van de rechtbank in Breda.
Een beginnend ondernemer in de ruwbouw stapte met succes naar de rechter om de weigering van de Belastingdienst aan te vechten hem als ondernemer aan te merken.
De Belastingdienst vond dat de ZZP'er niet aangemerkt kon worden als ondernemer voor de inkomstenbelasting. Hierdoor kon hij geen aanspraak maken op de hierboven genoemde fiscale ondernemersfaciliteiten.
De rechtbank vond dat de aard van het werk van de betreffende ondernemer kan betekenen dat hij vooral langdurige opdrachten krijgt. Verder vond de rechtbank het in dit geval aannemelijk en zeer geloofwaardig dat een beginnend ondernemer bij de start van zijn werkzaamheden kiest voor zekerheid en daarom de voorkeur geeft aan ee langdurige opdracht. Bij de uitspraak hield de rechtbank er ook rekening mee dat de startende ondernemer in het tweede jaar al meer opdrachtgevers had.
Mogelijk biedt deze uitspraak ook openingen voor andere (startende) ondernemers. Wanneer een rechter moet beoordelen of iemand ondernemer is, kijkt hij naar de duurzaamheid en de omvang van de verrichte werkzaamheden, de beschikbare tijd, de winstverwachting, het debiteuren- en ondernemersrisico, de omvang van de bruto-inkomsten, de omvang van de investeringen, het aantal opdrachtgevers en de bekendheid naar buiten. En zoals uit deze zaak blijkt, ook naar de ontwikkeling van het bedrijf in de volgende jaren.